De vaat en ander monnikenwerk

De meeste keren dat ik door het Markdal fiets, ben ik op weg naar Meerseldreef. Bij de Paters Kapucijners steek ik een kaars op en geniet van de koffie met een appelflap. Wanneer je daar bent besef je niet dat grote groepen christenen zich van de Kerk afgekeerd hebben en diens rol als negatief (hebben) ervaren. Maar zoals gezegd, wanneer je bij de paters in het Markdal bent, heb je dat gevoel niet. De paters die ik daar ontmoet zijn vriendelijk en stralen een (on)gelooflijke rust en tijdloosheid uit. Hun gedrag en instelling doet mij denken aan het stromen van de Mark, het grazen van de koeien en het ruisen van de bomen. Kortom aan alles wat mij het Markdal biedt.markdal

Ons Markdal is weer in ere hersteld. Dat wil zeggen het Waterschap Brabantse Delta heeft de oorspronkelijk kronkelende loop van de Mark uitgegraven. We noemen dat her-meanderen. Een voorbeeld van een goed stukje moderne techniek. Wanneer je daar door het Markdal fietst of als je in de natuur vertoeft, realiseer je niet dat de loop van de Mark en onze hele Nederlandse 'natuur' eigenlijk door mensen gemaakt werd. Het is niet voor niets dat men in het buitenland zegt: “God schiep de wereld, maar de Hollanders maakten Nederland”. Zo zijn onze oerbossen al lang verdwenen en het oudste Nederlandse bos is ons Mastbos dat ca. 500 jaar geleden werd aangeplant in opdracht van Graaf Hendrik III van Nassau. Het grenenhout werd later gebruikt voor de bouw van het Kasteel van Breda (de huidige KMA). Denkend aan de Paters in het Markdal wil ik het hebben over de rol van kloosters in de vroege Middeleeuwen (periode van 500 tot 1000 na Chr.) in relatie met natuurontwikkeling en cultuurtechniek.

Oud Rome en het oosten

Toen in 476 na Chr. het Romeinse Rijk uiteenviel in een westelijk (Romeins)deel en in een oostelijk (Byzantijns)deel, splitste ook het christendom zich in een westerse (Romeinse)variant en in een oosterse (Grieks-orthodoxe/Byzantijnse)variant. In het oude Romeinse Rijk was het werken uitsluitend bestemd voor de niet-Romeinen, mensen zonder kiesrecht en slaven. De ambachtslui en handwerkers hadden geen status. De Romeinen gebruikten hun stem als machtsmiddel in het 'democratische' Rome en kregen daarom van de rijken gratis geld, koren en vermaak aangeboden (brood & spelen). Omdat er een overvloed aan werkers en slaven was, behoefde de arbeid niet verlicht te worden en het investeren in (technische) uitvindingen was dan ook niet aan de orde. Bij de Romeinen lag de nadruk van de techniek bij de bouw en infrastructuur (wegen- en bruggenbouw). Het wereld- en godsbeeld dat in de oud Romeinse tijd heerste was: meditatief en passief, zoals ook Boeddha als denker en verlicht werd beschouwd. Naderhand behielden de Byzantijnen dit wereld- en godsbeeld. Het is daarom dat in het oosten de wetenschap (filosofie, wiskunde) tot bloei kon komen, maar niet de (cultuur) techniek.

Het westen

In het westen daarentegen ging men uit van een ander wereld- en godsbeeld: actief en scheppend. God was de vormgever, de architect en werd afgebeeld met een passer: het symbool voor de ‘ingenieur’ in de Middeleeuwen. Het religieus/spiritueel concept en het veel godendom van de (heidense) oudheid werd hier vervangen door een actief beheersen van de natuur door de mens. Niet langer bevatten rivieren en bomen/bossen goden, die men vreesde en zou kunnen ontstemmen. De mens mocht de natuur gebruiken en naar zijn hand zetten, omdat deze aan hem door God was gegeven. Verder ging, vooral het westerse, christendom er van uit dat ieder mens waarde had en dat mens onwaardige arbeid niet door God gewild kon zijn. Daarom moest de arbeid verlicht worden. Werken werd niet langer als minderwaardig gezien, maar werd zelfs een vorm van bidden en ermee gelijkgesteld. Het zogenaamde ora et labora (bid en werk). De monniken in onze kloosters gaven hierbij het voorbeeld. Dat werd door anderen des te gemakkelijker gevolgd, omdat de kloosterlingen een hoge status hadden. In deze vroege Middeleeuwen vond, met name in het westen, een aantal belangrijke uitvindingen plaats. Menskracht werd geleidelijk vervangen door paarden-, water- en windkracht; arbeid verlichtende apparaten en besparende machines werden ingevoerd.

De kloosters

Het christendom en vooral onze kloosters speelden bij dit alles een grote rol, door het uitdragen van de mentaliteitsverandering en de voorbeeldfunctie ten opzichte van de arbeid. Onze kloosters vormden een soort netwerk, dat centraal vanuit Rome geleid werd. Het waren “multinationals”  die onderling kennis en vaardigheden uitwisselden. De kennis werd vastgelegd in geschriften en bewaard in de bibliotheken van de kloosters. Ook droegen zij deze kennis aan elkaar over, maar ook aan leken. Daardoor kwamen veel technische ontwikkelingen in onze kloosters tot stand en vonden daarbuiten hun toepassing. De kloosters waren ook grootgrondbezitters en fungeerden als een soort bank van (hulp ver)lening. In goede tijden schonken/leenden de gelovigen goederen aan de kerk. Bij misoogsten, epidemieën en andere rampen konden ze een beroep doen op de kloosters. Het is dus géén toeval dat de ‘Boerenapostel’ Pater Van den Elsen veel later de Boerenleenbank (later opgegaan in de Rabobank) oprichtte.

Onze kloosters namen het initiatief tot ontbossingen, ontginningen en bedijken van gebieden. Ze specialiseerden zich per streek of land in bepaalde producten, die in dat gebied de beste kans van slagen hadden zoals bv. in Engeland de schapenteelt voor de wol- en lakennijverheid en in Frankrijk de druivenaanplant voor de wijnbouw. Vanzelfsprekend behoorde (destijds) de zorg voor onderwijs, zieken en armen ook tot de taken van de kloosters (ook typisch monnikenwerk).

Uitvindingen

De grootste uitvindingen in de vroege Middeleeuwen lagen op agrarisch en cultuur technisch gebied. We spreken wel van de agrarische revolutie. Zij hebben grote invloed gehad op onze landschap- en natuurontwikkeling. Het voert hier te ver om in te gaan op al deze uitvindingen. In het kort wil ik een drietal vernieuwingen uit die tijd onder de loep nemen: 

  1. Het bewerken van het land met een zware ijzeren ploeg (met wielen) en met de eg vanaf de 7e eeuw. De stukken land werden van toen af aan niet meer vierkant maar langwerpig van vorm ingericht, met als gevolg goede onderlinge samenwerking, herverkaveling van gronden en het verdwijnen van de meeste afscheidingen (er ontstonden open velden).
  2. Het invoeren van het drieslagstelsel in de 8e eeuw. De beschikbare grond werd verdeeld in nagenoeg 3 gelijke stukken. Eén stuk lag een jaar lang braak (met vee er op), op het tweede stuk werd in het najaar wintergraan (tarwe en rogge) gezaaid en op het derde stuk in het voorjaar zomergraan (gerst en haver) en groenten (erwten en bonen). Jaarlijks werd het gebruik van de 3 stukken doorgeschoven. De landbouw haalde er enorme opbrengsten mee. De bevolking leed geen hongersnood meer en groeide aanzienlijk.
  3. Het gebruik van het paard, als zeer sterk en snel trekdier, in plaats van het rund (os) omstreeks de 11e eeuw. Hieraan vooraf gingen de uitvindingen van de paard bespanning (de haam), het hoefijzer en de verbouwing van haver voor de paarden.Monnikenwerk

Door al deze uitvindingen werd het interessant maar ook noodzakelijk om meer grond te winnen. Er werden bossen gekapt en moerassen gedraineerd of drooggelegd (om dezelfde redenen werd  de loop van onze Mark ‘recht’ gemaakt). In de loop van de daar op volgende eeuwen is de Kerk (helaas) een andere rol gaan spelen en werden de kloosters te vaak bezet door monniken, met een andere roeping. Maar dat is een geheel ander en ‘tricky’ verhaal.

Tot slot de vaat als monnikenwerk

Het was tijdens mijn vakantie, dat ik herontdekte dat wij Nederlanders op een geheel eigen manier de vaat doen, in ieder geval ten opzichte van de Fransen. Wij zijn op de camping herkenbaar aan de afwasbak, het flesje afwasmiddel en de afdrooghanddoek. De Fransen hebben deze attributen niet bij zich en staan aan de aanrecht te kliederen met hun vaat in een pan, zonder zeepsop en ook de ‘schone’ vaat afdrogen doen zij niet. Ik denk dat wij onze propere vaatwas cultuur (via onze oermoeders) hebben geleerd van onze Lage Landen nonnetjes. De Fransen hadden hun 'Franseslag' nonnen en missen daardoor onze gedegen kloosteropleiding. Het gevolg is dat zij als echte cultuurbarbaren dit monnikenwerk moeten verrichten. Het valt mij op dat ze er ook weinig plezier aan beleven. In ieder geval doen ze het zwijgzaam en doen hun kop niet open.

Ik wens jullie een prettige vakantie en veel toewijding bij jullie vaat en ‘monnikenwerk‘ toe.