Hout moet deel 1

Hout moet en roest rust nooit

Wanneer ik als IVN gids publiek door onze bossen rondleidt, gaat het steevast over bladeren, bomen en houtsoorten. Telkens opnieuw verbaas ik me erover hoe weinig de gemiddelde man, vrouw of kind hierover weet. Nu is het zo dat ik vanwege mijn studie en werk min of meer ben opgegroeid met deze materie en dat ik enige kennis op dit gebied dus niet als iets bijzonders ervaar. Ik wil hierbij aandacht besteden aan hout en proberen jullie kennis enigszins op te krikken. Ik ga dat doen in twee delen: In dit eerste stukje wil ik een boekje open doen over bomen en hout. In het tweede deel vertel ik over de houtsoorten en hun eigenschappen.

Bomen

We zijn er al lang achter dat de planten, met name de bomen, ervoor gezorgd hebben dat onze lucht die wij inademen zo’n 20% zuurstof bevat. De boom is dus een zuurstoffabriek. Als ik als voorbeeld een beuk van 100 jaar oud neem, dan kan ik berekenen dat deze beuk ruim 7 mensen van zuurstof kan voorzien, die zij voor hun ademhaling kunnen gebruiken. Als deze boom zou verdwijnen, moeten we 1600 jonge boompjes terugplanten om zijn zuurstofproductie te vervangen. Een boom is een houtige plant met één goed ontwikkelde hoofdstam, die zich ruim boven de grond (doorgaans vanaf 2 m hoogte) vertakt. Een heester is ook een houtige plant, maar is meestal kleiner en splitst zich op of net boven de grond in verschillende stammen.

We kunnen de bomen in 3 grote groepen indelen: de palm-, naald- en loofbomen. De meeste palmbomen hebben een lange houtachtige stam en de grote spitsvormige bladeren groeien in een waaiervormige bosje op het bovenste deel van de stam. De veruit grootste groep is die van de loofbomen en het hout van de loofbomen. Het verschil tussen de naald- en loofbomen is dat de meeste loofbomen (zoals: eik, beuk, linde) bladeren hebben, die bij ons in de winter afvallen en dat naaldbomen winterharde naalden hebben, die om de 4 à 6 jaar wisselen. Eigenlijk mogen we geen naaldbomen zeggen, maar moeten we spreken over coniferen. Deze naam komt uit het Latijn en betekent kegel(conus)dragend. De coniferen (zoals: sparren en dennen) hebben voor hun voortplanting geen bloemen of vruchten maar de kegels, waarin de zaden zitten. Naaldbomen hebben veel hars en meestal een rechte stam die tot aan de top van de boom doorgaat. De takken zijn veelal dunner dan de stam en zitten in kransen verspreid of spiraalvormig op de stam. Loofbomen daarentegen hebben veelal geen regelmatige vertakkingen van de kroon en de stam loopt bijna nooit door tot in de top. De stam en de grote takken zijn bedekt met een beschermende laag boomschors. Deze boomschors mag niet worden verward met de bast. De bast zit vlak onder de schors en zorgt voor het transport van de voedingssappen van boven naar beneden.

Hoe groeit de boom

De groei van een boom geschiedt in twee richtingen: in de lengte en in de dikte. In lengterichting vindt de groei plaats aan de top van de stam, aan de uiteinden van de takken. In de top en uit de eindknoppen van de takken ontspringen steeds de jaarscheuten, die de lengte en de kruinbreedte doen toenemen. De bestaande delen van een boom blijven altijd op dezelfde plaats. De diktegroei van de boom vindt in het cambium (vlak onder de schors en de bast) plaats door middel van groeiringen. Door het afzetten van nieuwe houtcellen neemt de dikte van de boomstam, van de takken en van de wortels toe. De steeds gevormde houtcellen zijn in de doorsnede herkenbaar als groeiringen (b.v. bij een omgehakte boom). In het najaar en in de winter (bij ons perioden van droogte) stagneert de groei en vormt zich een smallere groeilaag, die vaak donkerder van kleur is. Dit wordt ‘laathout’ genoemd. De groeilaag die in de het voorjaar en in de zomer wordt gevormd wordt ‘vroeghout’ genoemd. Zo vormen zich elk jaar meerdere groeiringen, die tezamen een jaarring wordt genoemd. Het bepalen van de leeftijd van een boom (de datering) gebeurt door de jaarringen van het hout te tellen of te meten.

Hout

Hout is een natuurproduct met een sponsachtige samenstelling. Als hout droogt dan krimpt het, wordt het nat dan zwelt het. Dat gaat nooit over, want uitgewerkt hout bestaat niet. Maar het werkt niet regelmatig. Daardoor ontstaan er spanningen die tot kromming of scheurvorming in het hout kunnen leiden. Daarom worden b.v. de onderdelen van massieve meubelen altijd van voldoende speling voorzien zodat het hout rustig kan “werken”. Dwarsdoorsnede van een boomstamNiet alle houtsoorten krimpen even veel en hout krimpt alleen in de breedte. De grootste krimp ontstaat doordat de jaarringen steeds langer en korter worden en omdat de jaarringen in lengte (omtrek) nu eenmaal verschillend zijn. Daarom ontstaat er altijd een scheur naar het hart van de stam toe.

Voor het groeien en voor het “groen houden” van de bladeren heeft de boom veel water nodig. Het watertransport gaat via de wortels door de stam naar boven en de voedingssappen (via de bast) van boven naar beneden. Voor het watertransport heeft de boom niet de gehele dikte van de stam nodig, maar alleen het buitenste deel, dit zijn de laatst gevormde jaarringen (bij een dikke boom ca. 20 jaarringen). Het hout van de stam waardoor heen het watertransport plaats (het levende deel) vindt heet het “spint” en is zachter en meestal lichter van kleur. Het binnenste (dode) deel van de stam heet “kernhout”, is veel harder en levert het beste hout van de boom.

Houtzagen

In de houtzagerij wordt bij het zagen van een boom rekening gehouden met de ligging van de jaarringen (het spint en de kern) in de diverse te zagen hout producten (planken, balken of kozijnen). De manier van zagen bepaalt dus mede de hout kwaliteit, de kleur en de (vlam)tekening. In vaktermen heet het dat een boom ‘dosse’, ‘kwartiers’ of ‘rift‘ gezaagd kan worden.Manieren om hout te zagen Het voordeel van dosse zagen is dat de opbrengst groot is en dat er veel brede planken uit de stam komen. Een bezwaar van het dosse gezaagd hout is dat de planken op een ongunstige manier gaan “werken”. Het grote voordeel bij kwartiers gezaagde planken is dat ze minder krom trekken. Een bezwaar is dat er minder brede planken uit een boom gehaald kunnen worden en dat deze methode van zagen dus duurder is. Rift gezaagde planken worden toegepast b.v. voor boten, waar de waterdichtheid van belang is. Bij kwartiers en rift gezaagde planken en balken zijn geen vlammen zichtbaar, maar zien de jaartekeningen er uit als rechte parallelle lijnen.

Dat hout sponsachtig is, betekent dat er veel holle ruimte in zit. Als we bedenken dat pure houtstof 1½ keer zwaarder is dan water, kun je uitrekenen dat hout voor 40 tot 65% uit ‘lucht’ bestaat. Waar lucht zit, kan ook water zitten; dat klopt, want in nat hout kan wel tot 30% water zitten. Voordat hout toegepast kan worden moet het gedroogd worden. Het drogen gebeurt tegenwoordig in droogovens totdat het hout een vochtigheidsgraad heeft bereikt van 8 à 12%; dit proces van drogen duurt 2 tot 7 dagen. De droogtegraad van het hout moet in evenwicht zijn met het klimaat op de plaats van de toepassing om overmatig zwellen of krimpen te voorkomen. Hout voor b.v. meubels moet dus droger zijn dan hout voor gevelbetimmeringen.

Gezaagde planken

Tot slot

We hebben gezien dat Hout werkt, maar ook Roest rust nooit. Ik bedoel daarmee te zeggen dat het met ijzer ook niet alles is. Ik heb ergens gelezen hoeveel schade het roesten van ijzer en staal aanricht. Volgens het Nederlands Corrosie Centrum in Rotterdam wordt voor de geïndustrialiseerde wereld rekening gehouden met 3 à 4 procent van de Bruto Nationaal Product per jaar. Voor een land als Nederland komt dat neer op een jaarlijks verlies van minstens vijf tot zeven miljard Euro.

Ik wil dit eerste deel toepasslijk afsluiten met het volgende Brabantse gezegde: “Die vent is van nat hout in mekare gezet”. De betekenis van dit gezegde kennen we nu want: voorwerpen die van nat hout gemaakt zijn, deugen niet. Houd(t) moed tot de volgende aflevering.