De regenworm

De bouwvakkers van de onderwereld

Op dit moment is het regenachtig herfst weer en het blad valt volop. Dit doet mij denken aan een zeer nuttig diertje: De zogenaamde Regenworm. De Regenworm heet zo omdat hij na regen uit de grond kruipt. We zouden de Regenwormen eigenlijk “de bouwvakkers van de onderwereld“ moeten noemen. Hij (ver)bouwt namelijk onze grond. Hoe dat precies in zijn werk gaat zit ga ik nu vertellen. Het is al 170 jaar geleden dat Charles Darwin, de geestelijk vader van de evolutietheorie, het werk van de regenwormen prees en daarover zei: “Slechts weinig dieren hebben door hun kolossale grondverzet een zo grote betekenis gehad voor de geschiedenis van de aarde als de regenwormen“. 

De bodem

Onze bodem (ofwel onze grond) is het bovenste losse deel van de aardkorst en is van groot belang voor het leven van plant en dier. In ons Brabantse land reiken de bodems gemiddeld tot een diepte van 2 meter. Onze gemiddelde bodem bestaat voor ongeveer de helft uit vaste bestanddelen en voor de andere helft uit holle ruimten tussen deze vaste bestanddelen (de zgn. poriën). De vast bestanddelen bestaan voor het grootste deel uit gesteente korrels (zand, leem, klei) en voor een klein deel uit organische stoffen (restanten van plant en dier). De poriën zijn gevuld met lucht en water (voor de gemiddelde bodem een fifty–fifty verhouding). De echte hoeveelheid poriën is in eerste instantie afhankelijk van de grootte van de gesteente korrels, maar wordt ook beïnvloed door het bodemleven en door bodem bewerkingen. Het is met name dit bodem leven waarin de regenworm, als echte bodem bewerkers, een zeer belangrijke functie vervullen.                      

Regenwormen zijn ringwormen

De Ringwormen vormen een grote stam binnen het dierenrijk, waaronder de families van de Regenwormen en Bloedzuigers. Ringwormen komen voornamelijk voor in natte omgevingen en kunnen in lengte variëren van minder dan 1 mm tot 3 m. Hun lichaam is samengesteld uit een aantal segmenten (ook wel geledingen of ringen genoemd).De regenworm Een oudere Regenworm heeft meer segmenten dan een jonge Regenworm. Dit komt omdat er tijdens het leven van de Regenworm steeds nieuwe segmenten ontstaan vlakbij het uiteinde van het lichaam. Een volwassen Regenworm kan wel uit 37 segmenten bestaan. Ieder segment bevat een min of meer compleet stel organen. Regenwormen hebben geen oren, ogen of longen. Zij nemen zuurstof op via hun dunne huid. Vooral de bovenkant van de huid is zeer gevoelig, zelfs voor licht.

Een worm kan de trillingen van een mol, die aan het graven is ontdekken. Stop een spade in de grond en laat deze trillen door met de steel te slaan. De Regenworm denkt dat een gravende mol op komst is en vlucht de grond uit. Vogels, kieviten en meeuwen, trappelen met hun pootjes op natte gras om Regenwormen naar de oppervlakte te laten komen. Het spreekwoord “Ik voelde mij gepierd“, ik voelde mij gefopt, komt hier vandaan. Regenwormen komen eveneens aan de oppervlakte door het trillen van de grond als er regendruppels op vallen tijdens een regenbui.

Wanneer een Regenworm door een vijand aangevallen wordt, is hij in staat een deel van zijn lichaam af te stoten. Het overblijvende deel van de worm laat het verloren gegaan gedeelte weer aangroeien. Dit regeneratie vermogen varieert van soort tot soort, maar meestal beperkt het zich tot een aantal segmenten aan de voorkant en enkele aan de achterkant.

Rondom het lichaam, tussen het 25 en 30e segment, ligt een verdikking die soms wordt aangezien voor een plek waar de worm in tweeën is gesneden en weer aan elkaar is gegroeid. In werkelijkheid liggen hier de voortplantingsorganen (het zgn. zadel). Regenwormen zijn tweeslachtig d.w.z. iedere Regenworm heeft zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen, maar zij kunnen zichzelf niet bevruchten, omdat zijn/haar mannelijke en vrouwelijke geslachtsproducten nooit tegelijkertijd rijp zijn. Regenwormen kunnen wel 10 jaar oud worden. De meeste halen dat niet, want er zijn veel dieren die wormen lusten, zoals mollen, vogels en kikkers. 

Zij (ver)bouwen de bodem

Aan de spits toelopende voorkant bevindt zich de krachtig gespierde mond opening (zonder tanden of kaken), waarmee het dier kan grijpen en eten. De Regenwormen werken ‘s nachts en voeden zich in hoofdzaak met rottend plantaardig materiaal. Hun voedsel halen zij vooral uit de grond, doordat zij met hun mond gangen graven en de grond daarbij verslinden. De in de grond aanwezige gesteentekorrels vermalen zij tot een pasta. Ook eten en verwerken zij planten(resten) die op de grond liggen bij de opening van hun hol of bladeren, veertjes en zelfs stukjes wol die zij in hun hol binnentrekken. Vanuit de anus aan de achterzijde, poepen ze continu “wormhoopjes“ uit. Dit zijn hun (humus)uitwerpselen. Door hun voortdurende gegraaf en door de inhoud van hun (humus)uitwerpselen maken de Regenwormen de bodem luchtig, leef- en vruchtbaar (veel stikstof, fosfaat en kalium).

Als door langdurige regenval de lucht uit de bodem wordt gedreven bestaat het gevaar dat de Regenwormen stikken en kruipen zij naar de oppervlakte. Uitdrogen is voor een Regenworm erger dan te nat worden. Wanneer het droog weer is en ook in de winter kunnen wormen wel 2 meter diep de grond in graven. Tijdens zulke perioden verblijven ze in een winterslaap, in kamers onder de grond, die zij met slijm bekleden.

De meeste Regenwormen vinden we in graslanden waar een overvloed aan voedsel is en waar ze niet gestoord worden. Men heeft het aantal regenwormen per hectare geschat op 5 miljoen. Dit zijn er 500 per vierkante meter met een totaal gewicht van 125 kg. Hun aantal zal sterk verminderen wanneer de grond gespit of geploegd wordt. De Regenworm verdraagt ook geen sterk zure bodem. Wanneer een bepaalde zuurgraad wordt overschreden blijven dode planten en bladeren, als een dichte tapijt, op de bodem liggen en ontstaat er na verloop van tijd turf en daarna bruin- en steenkool. Sommige bodems zijn van nature zuurder dan andere bodems. Vaak is de verzuring te verklaren door zure (regen)neerslag of door overbemesting.

Wie zijn ze en met hoevele werken ze

In Nederland zijn een groot aantal soorten Regenwormen. Zij zijn niet zo gemakkelijk aan hun levenswijze of met een enkele oogopslag te herkennen. Voor onze 'huis, tuin en keuken' kennis zal ik mij beperken tot het beschrijven van 3 verschillende soorten:

Tijgerworm

De tijgerworm is ook bekend als de strooisel- of mestregenworm. Hij is 60 tot 130 mm lang en heeft afwisselende roodbruine en gele banden, vandaar zijn naam Tijgerworm. De Tijgerworm kan in zwaardere omstandigheden overleven dan andere wormensoorten en heeft een beduidend grotere eetlust. Omdat hij zich erg snel vermenigvuldigt is hij zeer geschikt als compost worm. Het is deze worm die we massaal tegenkomen in strooisellagen, in de mesthopen en in onze thuiscompostbak of wormenbak (Wormery: dit is een speciaal ontworpen compostvat, waarmee je op een fascinerende en milieuvriendelijke manier compost kunt maken).

Pier

De naam pier is vooral Brabants, eigenlijk heet hij de Gewone of Grote Regenworm. Hij is 90 tot 300 mm lang en maakt tot 2 m diepe verticale gangen tot aan het grondwater. Hij wordt door hengelaars ook wel dauwworm genoemd en als aas gebruikt. Meer nog door de zgn. 'peurders', dit zijn palingvissers die de grote, vette pieren gebruiken om ze aan een draad te rijgen, er een soort tros van te maken en die onder water (net boven de modder) te houden om de paling te lokken en te vangen.

Enchytreeën

Dit zijn kleine (5 tot 50 mm), wit geel achtige verwanten van de Regenworm. Ze komen in allerlei omgevingen voor: in compost, aan de waterkant en helaas ook in onze bloempotten, waar zij door het afknagen van wortels de planten in hun groei belemmeren. Enchytreeën zijn populair als vogelvoer en bij aquariumhouders. Gezien de geringe eisen die ze stellen zijn ze gemakkelijk zelf te kweken.

Tot slot

Ik eindig met een toepasselijk oud gezegde uit ons Brabantse Kempenland: “A ‘s ’t regent lupt den boer, de poling en de pieër“. Het werd gezegd door de molenaar en hij bedoelde er mee: Als de Paling en de Pier over de vochtige grond kruipen regent het en pas dan heeft de boer de tijd om naar de molen te komen.Molen