Opmerkingen bestratingsnormen

Ondanks alle voorschriften en normen blijft de beoordeling van straatwerk ook maat- en mensenwerk, waar de kennis en praktijkervaring van de Auditors goed van pas komt.Slechte bestrating In tegenstelling tot de wegbeheer inspecties volgens de CROW methode (zie paragraaf 5.2) hebben de hier bedoelde bestratingsnormen alleen afwijkingen voor de ‘ernst’ en niet voor de ‘omvang’ van de schade. De voorschriften en normen moeten in de praktijk worden toegepast. Het blijft vaak werk van compromissen, waarbij niet ieder geconstateerd gebrek mag worden ‘uitvergroot’. Straatwerk blijft, ondanks de steeds verdergaande mechanisatie, immers een ambachtelijk product en ontleent voor een belangrijk deel de charme aan de optredende kleinere afwijkingen.

Uitdrukkelijk wil ik hierbij aantekenen dat de hiervoor bedoelde normen, eisen en richtlijnen van toepassing zijn tijdens de uitvoering of bij het opleveren van bestratingswerken, dan wel voor straatwerk dat binnen een redelijke termijn na de aanleg (opnieuw) wordt beoordeeld. Zoals bijvoorbeeld ten behoeve van de beëindiging van de onderhoudstermijn of bij de tweede oplevering van een werk) [1].

Het is bij de SEB- Audits gebruikelijk om de metingen niet met een rei met een lengte van 3 meter uit te voeren, maar met een rei/waterpas van 1,20 meter. Dit komt overeen met de lengte van de rei die ook bij de wegbeheer inspecties volgens de CROW methode (zie paragraaf 5.2) wordt gebruikt. Dat SEB Auditoren landelijk voor dit soort metingen een rei met een lengte van 1,20 meter hanteren, betekent niet dat daardoor aan de metingen (eventuele) onjuiste conclusies verbonden kunnen worden. Het tegendeel is waar, een dergelijke kortere rei is vaak beter hanteerbaar en mede daardoor zijn aan deze metingen vaak meer betrouwbaardere resultaten te ontleden. Mits deze kortere rei op een deskundige manier en juiste wijze op het werk wordt geplaatst. Als compensatie van het gebruik van de kortere rei wordt bij SEB Audits soms gewerkt met de norm van 3 mm voor de maximale afwijking van de vlakheid in de plaats van de standaard eis van 5 mm.

In geval van geschillen en bij arbitrage zaken komt het vaak voor dat de op een werk toegepaste materialen, vooral bij hergebruik, of het te keuren werk niet altijd voor de volle 100 % aan alle keuringseisen (zullen/kunnen) voldoen. Het gevolg daarvan is dat het te keuren werk dan ook niet volledig voldoet aan alle kwaliteitsvoorschriften. In die gevallen mag dan van een Arbiter geen ‘zwart-wit’ oordeel worden verwacht, maar zal hij vaak kiezen voor een ‘grijstinten’ benadering van de keuringsnormen. Dit conform de gangbare praktijk en/of volgens het gevoel van billijkheid.

Dit houdt onder andere in dat door de Arbiter wordt gekeken naar de mogelijke herstelkosten en tevens kritisch en constructief worden afgewogen wat de mogelijke effecten zijn van het geconstateerde gebrek aan kwaliteit. Dit alles in relatie met het doel en functie van de beoogde kwaliteit. Zonder daarin uitputtend te willen zijn, noem ik als voorbeeld enkele belangen en over-/afwegingen:

  • Hoe verhoudt het geconstateerde gebrek aan kwaliteit zich ten opzichte van de (on)mogelijkheden van een zo optimaal mogelijk (her)gebruik van materialen en de maatschappelijke, milieutechnische en economische gevolgen daarvan.
  • In welke mate levert het geconstateerde gebrek aan kwaliteit een negatieve bijdrage voor het gebruik, de levensduur en de verkeersveiligheid, met inbegrip van de beheer- en onderhoudsaspecten.
  • In welke mate beïnvloedt het geconstateerde gebrek aan kwaliteit de belevingswaarde en/of de esthetische kwaliteit voor de gebruikers. Heel vaak zal daarbij blijken dat de normale burger (zijnde de consument) zich zelden bezig houdt met dergelijke in zijn ogen ‘futiliteiten’. De ervaring heeft mij geleerd dat het toch vaak dit soort futiliteiten zijn, die tussen partijen onderwerp van het geschil zijn.

[1] Direct na de aanleg van het straatwerk begint in feite de gebruiksfase en daarmee het proces van veroudering, verval en slijtage. Tijdens de gebruiksfase wordt de kwaliteit/toestand van de verharding bepaald en vastgelegd op basis van de Beheersystematiek van de C.R.O.W. Hierbij wordt gewerkt met schade classificaties voor de diverse schadebeelden en/of schadetypes van de verharding. Bij elementenverharding wordt gekeken naar de schadetypen, dwarsonvlakheid en oneffenheid, zie hiervoor Hoofdstuk 5 paragraaf 5.2 Wegbeheer methode CROW.